Stollingseiwitten

De eiwitten in het bloed die betrokken zijn bij het stollingsproces noemen we de stollingsfactoren. Deze stollingsfactoren sturen gezamenlijk de bloedstolling aan. De stollingsfactoren worden aangemaakt in de lever. Bij een beschadiging van een bloedvat komt in het lichaam een stollingsproces op gang. Dit is een zeer complex proces dat bestaat uit meerdere, opeenvolgende reacties tussen stollingsfactoren. Uiteindelijk ontstaat een netwerk van draden (fibrine), onderdeel van het bloedstolsel.

Van de twintig verschillende stollingsfactoren zijn er twaalf van vitaal belang voor een normale bloedstolling. Deze twaalf stollingsfactoren hebben individuele namen, maar worden meestal met een nummer aangeduid, bijvoorbeeld Factor VIII (factor 8). Een tekort aan één of meer van deze stollingsfactoren kan leiden tot ernstige bloedingen. Een tekort kan erfelijk zijn of zich later ontwikkelen; soms is het tijdelijk, soms permanent. De gevolgen variëren van mild tot ernstig. Erfelijke verlagingen zijn zeldzaam. Meest bekend is hemofilie A (tekort factor VIII) en hemofilie B (tekort factor IX).

Later verkregen (niet aangeboren) verlagingen kunnen het gevolg zijn van:

  • een chronische ziekte, zoals een leverziekte of kanker
  • een verhoogd verbruik van de stollingsfactoren. Bij een ernstige ziekte (bijvoorbeeld kanker of bloedvergiftiging) kunnen er overal in het lichaam stolseltjes ontstaan. We noemen dit diffuse intravasale stolling (DIS). Als alle stollingseiwitten verbruikt zijn, kunnen geen nieuwe stolsels meer gevormd worden en kan het dier overal gaan bloeden.
  • een tekort aan vitamine K (voor de aanmaak van de Factoren II, VII, IX en X is vitamine K nodig). Bij de hond zien we een tekort aan vitamine K ontstaan als de hond rattengif of muizengif heeft gegeten. Vitamine K is het antigif dat de hond dan snel toegediend moet krijgen.
  • overmatige inname van bloedverdunners (aspirine en antistollingsmiddelen zoals coumarine en heparine).

Wanneer en hoe testen we de stollingsfactoren?

Als we een bloedingsneiging vermoeden, bepalen we de stollingstijden PT en aPTT en het fibrinogeen gehalte. Als we denken dat uw hond mogelijk een vergiftiging heeft met muizengif, of als we vermoeden dat uw dier DIS heeft. We testen ook de bloedstolling voordat we een weefselbiopt gaan nemen van de lever of nieren. (Let op: bij een dunne naald biopt van lever en nieren, hoeft de bloedstolling niet getest te worden)

De aPTT noemen we de geactiveerde tromboplastinetijd. De PT is de protrombinetijd. Met de aPTT en PT onderzoeken we op twee manieren hoe lang het duurt voordat zich een bloedstolsel vormt. De tijd die nodig is om in het bloedmonster een stolsel te vormen wordt gemeten in seconden en wordt de aPTT of PT genoemd (stollingstijden).

Na vaststelling van de afwijking, kunnen we de stollingsfactoren afzonderlijk bepalen. De stollingsfactortest vragen we aan als we denken aan een aangeboren bloederziekte (hemoflie). Dus vooral bij bloedingsneiging op jonge leeftijd.

Ook kan het onderzoek uitgebreid worden met bepaling van de Von Willebrand factor en het anti-trombine eiwit AT III.

Wat betekent de uitslag?

  • Een verlengde aPTT kan wijzen op een tekort aan stollingsfactoren: VIII, IX, XI en XII.
  • Een verlengde PT stoltijd wijst op een tekort aan factor VII.
  • Als de PT én de aPTT verlengd zijn, wijst het op een tekort aan stollingsfactoren: I, II, V, X.
  • Tekort aan stollingsfactoren zien we bij leverziektes, rattengifvergiftiging, ziektes van de nierfiltertjes (zie eiwitverlies via de nieren) en DIS.
  • Als de stollingstijden verlengd zijn en ook fibrinogeen gehalte te laag is, past dit meer bij DIS en leverproblemen.
  • Verlengde PT en  aPTT met een normaal of hoog fibrinogeen gehalte zien we bij een rattengifvergiftiging.
  • Een verkorte aPTT stoltijd is vaak tijdelijk en past bij acute ontsteking of verwonding.
  • Elke stollingsfactor moet in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn om een normale stolling van het bloed te garanderen. De hoeveelheid van een stollingsfactor wordt uitgedrukt in een percentage dat normaal in bloed aanwezig is. De normale hoeveelheid van een stollingsfactor wordt 100% genoemd. Uitkomsten tussen de 60% en 150% zijn normaal, en daar krijg je geen afwijkende stolling van.

Behandeling

We kunnen een verlaging van de hoeveelheid stollingseiwitten behandelen met het geven van versbevroren plasma (bevat alle stollingsfactoren). Wij kunnen bij dieren niet preparaten geven die afzonderlijke stollingsfactoren bevatten, zoals bij mensen met hemofilie gedaan kan worden.

Bij rattengifvergiftiging geven we vitamine K. Bij een vergiftiging is een goed hoge dosis vitamine K nodig, 2 tot 3 maal daags gedurende een week of 3. Na de eerste vitamine K injectie is het vaak niet meer goed mogelijk om de diagnose te stellen. Omdat dit een kostbare en intensieve behandeling is, willen we altijd zeker weten of uw hond ook echt een vergiftiging heeft met muize- of rattengif. We nemen dus altijd eerst bloed af voor de stollingsbepalingen, voordat we snel de eerste behandeling geven. 

Gerelateerde artikelen